Woordenlijst

Gebruik onze handige woordenlijst om technisch jargon op te zoeken waar u niet bekend mee bent.

A

Aandelen

Aandelen in een beursgenoteerd bedrijf. Aandeelhouders zijn feitelijk de eigenaren van het bedrijf en hebben meestal het recht te stemmen over bedrijfsaangelegenheden.

Aandelenuitgifte

Een methode om extra kapitaal aan te trekken door de uitgifte van nieuwe aandelen. Bestaande aandeelhouders kunnen nieuwe aandelen kopen naar rato van hun huidige bezit, meestal met korting, of hun rechten verkopen aan andere beleggers.

Activa

De beleggingen en liquide middelen aangehouden door een beleggingsmaatschappij.

Activaspreiding

De verdeling van activa over verschillende geografische regio's, activacategorieën of sectoren.

Active share

Het totaal van de verschillen tussen het gewogen percentage van elk effect in een portefeuille en datzelfde gewogen percentage in een benchmark of vergelijkingsindex.

Agio

Het verschil tussen de hogere prijs die er voor een vastrentend effect wordt betaald en de waarde van dat effect bij uitgifte. In dat verschil komen wijzigingen in de rente of het risicoprofiel sinds de uitgiftedatum tot uitdrukking.

AIC

Association of Investment Companies. Dit is een collectieve vereniging voor Britse beleggingsmaatschappijen.

AiM

Alternative Investment Market (AiM) is de mondiale markt van de London Stock Exchange voor kleinere, groeiende bedrijven.

Alle posities

Een fonds dat in aandelen belegt, ongeacht of een bedrijf wordt gekenmerkt als klein, middelgroot of groot.

Autoriteit Financiële Markten (AFM)

De belangrijkste regelgevende instantie voor financiële diensten in het Verenigd Koninkrijk. Het is een onafhankelijke niet-gouvernementele organisatie.

B

Bank of England

De Britse centrale bank, verantwoordelijk voor het monetaire beleid van het land.

Bedrijfsobligatie

Een kredietvorm uitgegeven door een bedrijf om kapitaal aan te trekken en een alternatief voor de uitgifte van aandelen via uitgifte van rechten. Obligaties kennen een vaste rente over een vaste periode, waarbij de hoofdsom op de vervaldag wordt terugbetaald.

Beleggingsfonds

Geld van een aantal beleggers dat is gebundeld en gezamenlijk is belegd in beleggingen zoals aandelen en obligaties. Elke belegger is eigenaar van een eenheid (of een aantal eenheden) waarvan de waarde betrekking heeft op de waarde van die items die door het fonds worden aangehouden.

Beleggingsinstelling

Een naamloze vennootschap die is genoteerd aan de London Stock Exchange. Het bestaat om te beleggen in het eigen vermogen van andere bedrijven met als doel een rendement te behalen voor de aandeelhouders.

Beleggingsmaatschappij met vast kapitaal

Een collectieve beleggingsregeling, zoals een beleggingsfonds, met een vast aantal aandelen. Beleggingsmaatschappijen met vast kapitaal worden op de beurs verhandeld.

Beleggingsmaatschappij met veranderlijk kapitaal (OEIC)

Een bedrijf of fonds in het Verenigd Koninkrijk dat belegt in andere bedrijven en dat toestemming heeft het aantal uitstaande aandelen dagelijks aan te passen.

Biedprijs

Aandelen van beleggingsmaatschappijen worden via de beurs tegen de biedprijs verkocht. Deze prijs komt tot stand door vraag en aanbod.

Blue-chips

De aandelen in bedrijven met de hoogste status als beleggingen.

C

Collectief beleggingsplan

Een beleggingsplan waarbij geld van meer dan één belegger wordt samengevoegd in één fonds of trust. Unit trusts, beleggingsfondsen en beleggingsmaatschappijen met variabel kapitaal (OEIC's) zijn allerlei soorten collectieve beleggingsplannen.

Conversiekoers

De koers per aandeel waartegen een converteerbaar effect (zoals converteerbare obligaties of preferente aandelen) in gewone aandelen kan worden omgezet. De conversiekoers wordt bepaald als de omwisselverhouding voor een converteerbaar effect.

Coupon

De rentevergoeding die wordt vermeld op een obligatie wanneer deze wordt uitgegeven. Coupons worden doorgaans om de zes maanden betaald.

CPI

Consumentenprijsindex is een maatstaf voor inflatie. De index meet de kosten van alle goederen en diensten voor een doorsnee consument.

D

Dalende markt

Een markt waarin prijzen over een langere periode dalen.

Delta

Een ratio, soms ook wel de afdekkingsratio of hedgeratio genoemd. Met de delta wordt de verandering in de koers van een actief vergeleken met de verandering in de prijs van op datzelfde actief gebaseerde derivaat of optie. De delta kan positief of negatief zijn.

Derivaat

Een contract tussen twee partijen dat zijn waarde ontleent aan de prestaties van de onderliggende entiteit. Deze onderliggende entiteit kan een activum, index of rentevoet zijn.

Dividend

Inkomsten betaald aan aandeelhouders door het bedrijf waarin ze beleggen.

Dividendrendement

Het jaarlijkse dividendinkomen per aandeel ontvangen van een bedrijf gedeeld door de huidige aandelenkoers. Simpel gezegd - hoeveel inkomsten u krijgt uit het bedrijf voor het kapitaal dat u erin hebt gestoken.

Duration

De looptijd van de obligatie tot de volgende datum voor de uitoefening van een optie, ook wel de voor opties gecorrigeerde duration.

Duration nominale rente

Een maatstaf voor de gevoeligheid van de koers van een obligatie of ander schuldinstrument voor een verandering in de nominale rente.

Duration reële rente

Een maatstaf voor de gevoeligheid van de koers van een obligatie of ander schuldinstrument voor een verandering in de reële rente.

Duration spread

De gevoeligheid van de koers van een obligatie voor veranderingen in de creditspread.

E

EBITDA

De winst vóór rente, belastingen, afschrijvingen en amortisatie (EBITDA) is een maatstaf voor de operationele prestaties van een bedrijf.

Economische cyclus

De terugkerende en fluctuerende niveaus van economische activiteit die een economie gedurende een langere periode ervaart.

Effectenbeurs

Een plaats waar effecten en aandelen worden verhandeld.

Effectieve duration

Een looptijdberekening voor obligaties met in het contract besloten opties. In deze maatstaf voor de duration wordt rekening gehouden met het feit dat de verwachte kasstromen fluctueren naarmate de rente verandert.

Effectieve looptijd

De tijd die het duurt voordat een obligatie de vervaldatum bereikt. Daarbij moet rekening worden gehouden met het feit dat sommige obligaties als gevolg van bepaalde acties, zoals een vervoegde terugbetaling (‘call’), al voor die vervaldatum zijn afgelost.

Europese Centrale Bank (ECB)

De instelling in de Europese Unie die verantwoordelijk is voor het vaststellen van het monetaire beleid voor alle landen van de Europese Unie die de euro gebruiken.

F

Fonds van fondsen

Een fonds dat tegelijkertijd in verschillende fondsen belegt met als doel het spreiden van risico's en het minimaliseren van de impact van slechte prestaties in één fonds. Fondsbeheerders selecteren de fondsen waarin ze beleggen, maar niet de individuele aandelen.

Fondsbeheerder

De persoon die verantwoordelijk is voor het dagelijkse beheer van de beleggingsfondsen.

Fondsomvang

De totale waarde van beheerd vermogen in een trust.

FTSE

The Financial Times and Stock Exchange, een uitgever van indices en de naam van de familie van indices die het publiceert.

FTSE 100 index

Een index die de aandelenkoers van de grootste bedrijven volgt, op basis van de marktwaarde, genoteerd aan de London Stock Exchange.

FTSE All-Share index

Een index van de aandelenkoersen van toonaangevende bedrijven in het VK, die betrekking heeft op ongeveer 800 bedrijven, waaronder beleggingsmaatschappijen.

G

Gearing

Het geleende bedrag dat een bedrijf of trust heeft ten opzichte van het aandelenkapitaal. Geared trusts kunnen geld lenen en profiteren van bredere beleggingsmogelijkheden. Als een bedrijf met zeer veel extern geld is gefinancierd, kunnen de winsten en verliezen sterk worden beïnvloed door zelfs kleine veranderingen in de rentetarieven.

Geldbeleggingen

Relatief veilige, liquide activa. Geldbeleggingen omvatten schatkistpapier, geldmarktfondsen en kortlopende depositocertificaten.

Gewone aandelen

Bedrijven kunnen verschillende soorten aandelen hebben, maar de overgrote meerderheid zijn 'gewone' aandelen. Als houder van gewone aandelen hebt u een aandeel in het eigendom van het bedrijf gekocht. U wordt uitgenodigd om algemene aandeelhoudersvergaderingen bij te wonen, inclusief de jaarlijkse algemene vergadering, en hebt het recht te stemmen over bepaalde beslissingen van het bedrijf.

Groeitrust

Een trust waarvan het hoofddoel is de waarde van het belegde kapitaal te maximaliseren in plaats van inkomsten te genereren.

H

Handelen

Kopen en verkopen van aandelen

Haussemarkt

Een markt waarin prijzen over een langere periode stijgen.

High yield-obligaties

Obligaties uitgegeven door bedrijven waarvan wordt aangenomen dat ze een hoger risico op wanbetaling met zich meebrengen - maar ook het potentieel voor een hoger rendement. Ook wel bekend als obligaties met een lage kredietwaardigheid.

Huidig rendement

De jaarlijkse inkomsten uit een belegging (rente of dividend) gedeeld door de huidige koers van het effect. Het huidig rendement is het rendement dat een belegger zou verwachten als deze de obligatie koopt en een jaar aanhoudt. Dat rendement is niet hetzelfde als het daadwerkelijk rendement dat de belegger ontvangt als deze een obligatie tot einde looptijd aanhoudt.

I

Index

Een schaal die relatieve prestatiewijzigingen meet. Een financiële marktindex, zoals de FTSE 100, is een denkbeeldige effectenportefeuille. De methode voor het berekenen van wijzigingen in indices verschilt per financiële markt.

Indexfonds

Een fonds dat de prestaties van een bepaalde beursindex wil repliceren door alle of een representatief deel van de aandelen in die index te kopen. Indexfondsen worden passief beheerd.

Indirecte vastgoedtrust

Een trust die belegt in onroerend goed, zoals vastgoedaandelen, vastgoedbeleggingsmaatschappijen, REIT's, commanditaire vennootschappen of property unit trusts in tegenstelling tot het feitelijke vastgoed zelf.

Informatieratio

De informatieratio (IR) is een maatstaf voor het portefeuillerendement buiten het rendement op een benchmark, doorgaans een index, in vergelijking met de volatiliteit van dat rendement. De gehanteerde benchmark is doorgaans een index voor de markt of een speciale sector of bedrijfstak.

Inkomstentrust

Een trust met als hoofddoel beleggers een regelmatig inkomen uit de beleggingen te bieden.

Inkoop

Beleggingsfondsen hebben de mogelijkheid een bepaald deel van hun aandelen in te kopen om de aandeelhouderswaarde te verbeteren - meestal om de korting te beperken. Aandeelhouders worden elk jaar gevraagd om te stemmen, zodat de fondsbeheerder dit recht kan uitoefenen als en wanneer het passend wordt geacht.

Intrinsieke waarde

Een belangrijke maatstaf voor de waarde van een bedrijf of trust: de totale waarde van de activa minus de verplichtingen, gedeeld door het aantal aandelen.

ISA

Een individuele spaarrekening (ISA) biedt belastingvoordelen voor Britse beleggers. Elk terugverdiend rendement is vrij van vermogenswinstbelasting en er wordt geen verdere inkomstenbelasting betaald. De F&C ISA is een ISA van effecten en aandelen en u kunt elk belastingjaar maximaal £ 20.000 beleggen. F&C biedt geen contante ISA's aan. U hebt ook de mogelijkheid de waarde van uw bestaande effecten en aandelen ISA's (inclusief effecten en aandelen ISA's die op 5 april 2008 PEP's waren) of contante ISA's (inclusief TESSA alleen ISA's) aan ons over te dragen zonder het belastingvoordeel te verliezen. Uw bestaande ISA-beheerder kan u echter kosten in rekening brengen voor de overdracht.

K

Kapitaalstructuur

De verschillende hoeveelheden en soorten gewone en preferente aandelen die in het geding zijn.

Kapitaalwaarde

Bij beleggen in onroerend goed, de waarde van een onroerend goed in eigendom of in erfpacht.

Kleine positie

Deze bedrijven vertonen doorgaans een hogere volatiliteit dan grote of middelgrote ondernemingen, maar kunnen een uitstekend groeipotentieel bieden.

Korting

Wanneer de aandelenkoers lager is dan de intrinsieke waarde (NAV), wordt dit aangeduid als handelen tegen een korting. De korting wordt uitgedrukt in een percentage van de intrinsieke waarde.

Kredietstatus

Een onafhankelijke beoordeling van het vermogen van een onderneming of overheid om haar schulden te betalen. Kredietstatussen worden verstrekt door ratingbureaus; veranderingen in de rating van een bedrijf of overheid kunnen de prijs van hun obligaties dramatisch beïnvloeden.

Kwantitatieve verruiming

Het aanbod van geld in een nationale economie vergroten door staatsobligaties (of andere) effecten in de markt te kopen om meer kredietverstrekking en liquiditeit te stimuleren.

Kwartiel

Een groep die over 25% van het totaalvermogen beschikt. Trusts worden vaak gerangschikt op basis van hun kwartielprestaties; een fonds met een topkwartiel heeft beter gepresteerd dan 75% van zijn concurrenten.

L

Laatprijs

Aandelen van beleggingsmaatschappijen worden tegen de laatprijs gekocht.

M

Marge

De spread is de term die wordt gebruikt om het verschil tussen de biedprijs en de laatprijs te beschrijven.

Middelgrote positie

Dit zijn Britse bedrijven die over het algemeen een marktwaarde hebben in het bereik van £ 250 miljoen tot £ 2 miljard en indices vormen zoals de FTSE 250-index.

Modified duration

Formule voor de meetbare verandering in de waarde van een effect als gevolg van een rentewijziging. Uitgangspunt voor de modified duration is dat de rente en de obligatiekoersen zich in tegengestelde richting ontwikkelen.

Monetair beleid

Beslissingen van een regering of centrale banken over de hoeveelheid geld die in omloop is in de economie. Dit omvat het instellen van officiële rentetarieven.

N

Norm

Een uitgangspunt waartegen beleggingsprestaties worden gemeten. Een benchmark is meestal een index of de gemiddelde prestatie van andere vergelijkbare fondsen.

O

Obligatie

Een lening waarmee een algemeen overeengekomen rentevoet over een vaste periode wordt betaald, waarbij de hoofdsom op de vervaldag wordt betaald. Obligaties kunnen worden uitgegeven door overheden of bedrijven. Obligaties kunnen doorgaans op de beurs worden verhandeld en daarom boven of onder de uitgifteprijs worden verhandeld.

Obligatieminimum

Het minimum of de ‘floor’ fungeert als limiet voor een bepaalde activiteit of transactie waaraan moet worden voldaan. Die ‘floor’ is dus de ondergrens.

Obligatierendement

Het rendement dat een belegger verdient op een obligatiemaatschappij.

Onderweging

Een portefeuille met een tekort aan een bepaald waardepapier (of sector of regio) in vergelijking met het belang van het waardepapier in de benchmarkportefeuille.

Open-ended

Beleggingsfondsen die niet beperkt zijn in het aantal aandelen dat ze kunnen uitgeven. (Zie ook closed-ended.)

Opkomende markten

Landen met een laag inkomen per hoofd in vergelijking met de ontwikkelde wereld, maar met een goed functionerende aandelenbeurs. Het potentieel voor snelle groei maakt opkomende markten aantrekkelijk voor beleggers die bereid zijn een hoger risiconiveau te accepteren. Opkomende markten zijn Brazilië, Rusland, India en China (zie BRIC); andere van betekenis zijn Mexico, Indonesië, Zuid-Afrika, Polen en Zuid-Korea.

Overweging

Een portefeuille met een overschot van een bepaald waardepapier (of sector of regio) in vergelijking met het belang van het waardepapier in de benchmarkportefeuille. (Zie ook onderweging.)

P

Passief beheer

Een stijl van beleggingsbeheer waarin de portefeuille van het trustmodel zijn benchmark weerspiegelt.

PLC (NV)

Een Public Limited Company in het Verenigd Koninkrijk is een naamloze vennootschap en heeft een maatschappelijk kapitaal van minimaal £ 50.000.

Portefeuille

De verzameling beleggingen aangehouden door een belegger of een trust.

Preferente aandelen

Aandelen in een bedrijf die een hogere claim hebben op de activa en inkomsten dan de gewone aandelen. Dividenden van preferente aandelen moeten doorgaans vóór die van gewone aandelen worden uitgekeerd. Preferente aandelen kennen meestal geen stemrecht.

Preferente aandelen zonder dividend

Een aandeel zonder recht op dividend. Het heeft in plaats daarvan recht op een vast bedrag op een vaste terugbetalingsdatum. Dit zijn aandelen die ernaar streven een vooraf bepaalde groei te realiseren.

Premie

Wanneer aandelen van een beleggingsfonds worden verhandeld tegen een prijs die hoger is dan hun intrinsieke waarde, zijn ze niet verplicht tegen een premie te handelen.

Primaire eenheid

Een belegging in onroerend goed die wordt beschouwd als de beste in zijn klasse en locatie.

Privaat vermogen

Belegging in bedrijven die niet op een beurs zijn genoteerd. Beleggers (waaronder beleggingsfondsen of andere fondsen) beleggen rechtstreeks in particuliere bedrijven en hebben vervolgens een aandeel in dat bedrijf. Beleggers kunnen ook overheidsbedrijven kopen, wat resulteert in het schrappen van publieke aandelen.

Prospectus

Een wettelijk vereist document dat wordt gepubliceerd bij een uitgifte van aandelen of vastrentende effecten aan het publiek. Een prospectus geeft details over het bedrijf en de uitgifte.

R

REIT

Vastgoedbeleggingsfonds. Een vorm van indirect beleggen in onroerend goed.

Rendement

Het bedrag waarmee een belegging kan veranderen als gevolg van een combinatie van vermogensgroei en/of inkomsten uit rente/dividend. Dit wordt doorgaans uitgedrukt in een percentage.

Rendement

Het jaarlijkse dividend of inkomsten uit een belegging, uitgedrukt in een percentage van de aankoopprijs.

Rendement op jaarbasis (%)

Het totaalrendement op jaarbasis is het meetkundig gemiddelde bedrag dat, gedurende een bepaalde periode, jaarlijks met een belegging wordt verdiend.

Renteduration

Een maatstaf voor de gevoeligheid van de koers van een obligatie of ander schuldpapier voor veranderingen in de rente.

Risico

De kans dat er mogelijk beleggingsverliezen zijn ten aanzien van de oorspronkelijk gedane belegging of het rendement dat wordt verwacht.

RPI

Consumentenprijsindex (Retail Price Index). De voornaamste inflatie-indicator die wordt gebruikt voor de berekening van de indexatie voor vermogenswinstbelasting en voor geïndexeerde staatsobligaties en nationale spaarproducten.

S

Sector

Beleggingsfondsen die qua reikwijdte en doelstellingen vergelijkbaar zijn met elkaar. Een sector verwijst ook naar een industrie of een handelsgebied waarin een bedrijf actief is (bijvoorbeeld mijnbouw).

Sharpe-ratio

Deze ratio geeft de belegger inzicht in het rendement op een belegging ten opzichte van het risico. De ratio geeft het gemiddelde verdiende rendement weer boven de risicoloze rente per eenheid van het totale risico.

Sortino-ratio

Een variatie op de Sharpe-ratio, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen schadelijke volatiliteit en de totale volatiliteit. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de standaarddeviatie van een negatief portefeuillerendement, oftewel de neerwaartse deviatie, in plaats van de totale standaarddeviatie van het portefeuillerendement zoals in een Sharpe-ratio.

Staatsobligatie

Een obligatie uitgegeven door een overheid om financiële middelen bijeen te brengen. Staatsobligaties zijn verhandelbaar en kunnen worden verhandeld op de aandelenmarkt. In het Verenigd Koninkrijk worden ze vaak gilts genoemd.

T

Totaalrendement

De waardegroei van een aandeel in een bepaalde periode, ervan uitgaande dat dividenden worden herbelegd om extra eenheden van het aandeel te kopen.

Tracking error

Meet hoe dicht de resultaatontwikkeling van een beleggingsportefeuille in de buurt ligt van die van de referentiebenchmark of andere vergelijkingsmaatstaf.

V

Vastgoedbelegging

Onroerend goed gekocht als een belegging in plaats van een plek om te wonen.

Vastrentende effecten

Beleggingen die de lener ertoe verplichten de eigenaar rente te betalen tijdens de looptijd van de lening en de hoofdsom terug te betalen wanneer de lening vervalt. Obligaties zijn een voorbeeld van vastrentende waardepapieren.

Vermogenscategorie

Een groep effecten met vergelijkbare kenmerken, gedraagt ​​zich op dezelfde manier in de markt en is onderworpen aan dezelfde wet- en regelgeving. De drie belangrijkste activacategorieën zijn effecten of aandelen; vast inkomen of obligaties; en geld- of geldmarktinstrumenten. Sommige beleggingsprofessionals voegen ook onroerend goed en grondstoffen toe.

Vermogenswinstbelasting (CGT)

Een belasting geheven op winsten die voortvloeien uit de verkoop van activa. Er is een CGT-vrijstellingslimiet vastgesteld voor elk belastingjaar en eventuele winsten zijn niet belastbaar.

Verwaterde intrinsieke waarde

Een methode voor het berekenen van de intrinsieke waarde van een bedrijf, rekening houdend met uitstaande converteerbare leningen, warrants of opties waarvan wordt verondersteld dat deze door de houders worden uitgeoefend, waardoor het aantal aandelen waarmee de activa zijn verdeeld wordt verhoogd.

Volatiliteit op jaarbasis

Statistische maatstaf voor de spreiding per jaar van het rendement voor een bepaald effect of een bepaalde marktindex gedurende een bepaalde periode.

W

Warrants

Dit geeft de houder het recht op een vast tijdstip in de toekomst aandelen te kopen tegen een prijs die wordt bepaald wanneer de warrant wordt uitgegeven.

Worst drawdown (%)

Het ergste waargenomen verlies in een portefeuille van het hoogste tot het laagste punt, voordat een nieuw hoogtepunt wordt bereikt.

Y

Yield to best

De ‘yield to maturity’, dan wel de ‘yield to put’ indien deze hoger is, voor een converteerbare obligatie waarvoor de belegger ook een putoptie bij de uitgevende partij heeft (doorgaans à pari).

Yield to maturity (%)

De ‘yield to maturity’ (YTM) of effectief rendement is het totale verwachte rendement op een obligatielening indien deze tot einde looptijd wordt aangehouden. YTM wordt gezien als het langdurige obligatierendement, maar wordt uitgedrukt op jaarbasis.

Z

Zegelrecht

Een overheidsbelasting die wordt opgelegd voor het kopen van aandelen en vastgoed. Zegelrechten zijn alleen van toepassing op aankopen en niet op verkopen.

Zonder dividend

Aankoop van aandelen zonder recht op de huidige dividenden.